De wijsneus

Ik zat heerlijk rustig te vissen langs de waterkant totdat er een kleine wijsneus langskwam.
Hij stak meteen van wal : “Ben u aan ’t vissen?”, vroeg hij.
Verschrikt keek ik op, ik had hem niet aan horen komen op z’n fietsje.
“Ja” zei ik, “dat zie je toch”.
“Oh”, zei hij. “Als u nu aan beide hengels tegelijk beet hebt, wat doet u dan?”.
“Ik zou het echt niet weten”, zei ik, “maar dat gebeurt bijna nooit”.
“M’n vader vind het niks dat vissen, gemeen vind hij het en hij begrijpt er ook niks van”. “Ik vind het wel leuk, maar het mag niet van mijn vader. Ik had van opa een hengel gekregen, maar die heeft ie meteen afgepakt en in de kast gezet”.
“Eet u nu elke dag vis”, ging hij verder. “Mijn moeder haalt het gewoon in de winkel”.
Ik kreeg het idee dat het manneke elke keer stiekem naar de waterkant ging en de vissers het leven zuur maakte, met al z’n vragen.
Hij wilde maar één ding : vissen. Toen ik hem een werphengel in z’n handen gaf, begon hij te glunderen.
“Is die voor mij?” zei hij.
“Ben je nou helemaal bes……, je mag hem even vasthouden, meer niet”.

vissende jongen

“Bent u hier morgen weer?”.
“Nou” zei ik, “dat ligt eraan of ik weer mag gaan vissen van mijn vrouw”.
“Oh, hebt u een vrouw? zei hij.
Tegelijkertijd was hij m’n viskoffertje aan het inspecteren en zat overal aan met z’n tengels.
“M’n zusje, die mag alles”. “Een rotkind is het”. “Zij mag wel vissen en heeft een eigen hengel”. “M’n vader zegt, omdat ze ouder is en een zwemdiploma heeft, maar ik vind het niet eerlijk”. Daarna volgde een hele opsomming over de minpunten van zijn zusje en hoe een grote hekel hij wel aan haar had.
“Zo” zei ik “wordt het niet eens tijd om naar huis te gaan”.
Maar daar was hij het helemaal niet mee eens.
Na veel aandringen is hij toch eindelijk vertrokken.
Misschien op weg naar het volgende slachtoffer, de stakker.